Het einde van spoor 1 na één jaar ziekte?
Een langdurig zieke werknemer brengt voor iedere werkgever uitdagingen met zich mee. Zeker kleine en middelgrote werkgevers (het MKB) ervaren het huidige re-integratiestelsel als weinig flexibel. Werkgevers moeten 104 weken loon doorbetalen, zich inspannen voor re-integratie en de arbeidsplaatsen van zieke werknemers openhouden. Vooral dat laatste zorgt in de praktijk regelmatig voor onzekerheid: komt de (zieke) werknemer nog terug of niet?
De onzekerheid over de vraag of en wanneer een werknemer (duurzaam) terugkeert, maakt het voor werkgevers lastig om vooruit te plannen.
Met het onlangs ingediende wetsvoorstel komt daar mogelijk verandering in. Dit wetsvoorstel, dat onder andere gericht is op de versoepeling van re-integratieverplichtingen voor het MKB in het tweede ziektejaar, beoogt een verschuiving in de inrichting van het re-integratieproces.
Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om al vanaf het second ziektejaar volledig in te zetten op re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor) en afscheid te nemen van verdere re-integratie binnen de eigen organisatie (het zogenoemde eerste spoor). Daarmee wordt een belangrijk uitgangspunt van het huidige stelsel losgelaten.
In deze blog wordt het huidige stelsel besproken, gevolgd door de belangrijkste voorgestelde wijzigingen en gevolgen.
Huidig stelsel: twee jaar re-integratie met focus op spoor 1
In Nederland geldt bij ziekte voor werkgevers een loondoorbetalingsverplichting van (maximaal) 104 weken. Gedurende deze periode zijn werkgever en werknemer op grond van de Wet verbetering poortwachter gezamenlijk verantwoordelijk voor een succesvolle re-integratie.
Daarbij staat spoor 1 centraal: terugkeer binnen de eigen organisatie van werkgever. Dat kan zijn in de eigen functie van werknemer dan wel in aangepaste vorm of andere passende arbeid. Pas wanneer duidelijk wordt dat dit niet realistisch blijkt, komt spoor 2 in beeld: re-integratie bij een andere werkgever. In de praktijk lopen beide trajecten vaak naast elkaar. Maar ook wanneer spoor 2 (uiterlijk in week 52) wordt gestart, blijft werkgever in beginsel verplicht de mogelijkheden voor terugkeer binnen de eigen organisatie te blijven onderzoeken. Daarvoor dient de arbeidsplaats van werknemer steeds beschikbaar te blijven, waardoor werkgever de langdurig zieke werknemer vaak niet onbeperkt kan vervangen. Het wetsvoorstel beoogt deze organisatorische knelpunten te verminderen.
De kern van het wetsvoorstel: eerder naar spoor 2
Het doel van het wetsvoorstel is om het MKB meer wendbaarheid te bieden. Daarom wordt voorgesteld dat werkgevers onder bepaalde voorwaarden spoor 1 al na één jaar ziekte kunnen afsluiten. Daarmee verschuift de focus in het tweede ziektejaar naar spoor 2.
Het belangrijkste gevolg daarvan is dat werkgever de functie van de zieke werknemer niet langer beschikbaar hoeft te houden. Werkgever kan de arbeidsplaats definitief invullen en eerder voor duurzame vervanging zorgen.
De loondoorbetalingsverplichting en verantwoordelijkheid van werkgever voor re-integratie verdwijnen echter niet. Het verschil zit uitsluitend in de vraag waar de re-integratie plaatsvindt.
Afsluiting spoor 1
Het wetsvoorstel voorziet in twee manieren om spoor 1 af te sluiten.
De eerste route is dat werkgever en werknemer gezamenlijk besluiten het eerste spoor af te sluiten. De werknemer moet hiermee uitdrukkelijk instemmen en krijgt een bedenktermijn van 14 dagen. Binnen die termijn kan werknemer zijn instemming zonder opgave van redenen herroepen.
Als tussen werkgever en werknemer geen overeenstemming wordt bereikt, kan werkgever het UWV verzoeken toestemming te verlenen voor afsluiting van het eerste spoor.
Dit verzoek moet uiterlijk in de 42ste ziekteweek van de werknemer worden ingediend. Het UWV beoordeelt daarbij onder meer:
- of werknemer op dat moment arbeidsongeschikt is voor de bedongen arbeid;
- of binnen spoor 1 voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht;
- of het aannemelijk is dat niet binnen 13 weken na het eerste ziektejaar werkhervatting (in eigen functie dan wel in aangepaste vorm) binnen de eigen organisatie van werkgever mogelijk is.
Deze toets dwingt werkgevers ertoe om al relatief vroeg in het ziekteproces te beoordelen of duurzame terugkeer binnen de eigen organisatie nog realistisch is.
Pas wanneer aan alle voorwaarden is voldaan, kan het UWV toestemming verlenen.
Gevolgen van de versoepeling van re-integratieverplichtingen
Terwijl de versoepeling van re-integratieverplichtingen in het second ziektejaar aansluit bij een langgekoesterde wens van veel MKB-werkgevers en mogelijk leidt tot minder onzekerheid, verandert ook de positie van werknemers.
Het huidige stelsel is gebaseerd op het uitgangspunt ‘terugkeer binnen de eigen organisatie van werkgever’. Dat is niet zonder reden. Uit onderzoek blijkt dat re-integratie binnen de eigen organisatie doorgaans succesvoller is dan plaatsing bij een andere werkgever.
Wanneer het eerste spoor wordt afgesloten, verandert die mogelijkheid grotendeels. Zelfs als werknemer in het tweede ziektejaar volledig herstelt, hoeft werkgever de arbeidsplaats van werknemer niet meer beschikbaar te hebben.
De werknemer behoudt wel zijn arbeidsovereenkomst, maar zijn kansen op daadwerkelijke terugkeer binnen de organisatie van werkgever nemen aanzienlijk af.
De vraag die daarom kan worden gesteld is of de beoogde duidelijkheid niet ten koste gaat van de re-integratiekansen van werknemers.
Nieuwe ontslaggrond en opzegverbod
Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe ontslaggrond.
Wanneer spoor 1 rechtsgeldig is afgesloten, kan werkgever na afloop van de wachttijd van 104 weken een ontslagvergunning aanvragen, zelfs indien werknemer inmiddels volledig is hersteld.
Daarmee ontstaat een situatie die onder het huidige stelsel nauwelijks denkbaar is: een werknemer die volledig arbeidsgeschikt is, maar toch zijn baan verliest omdat de functie inmiddels structureel door een ander wordt vervuld.
Voorwaarde is wel dat sprake is van een redelijke grond voor ontslag. Volgens het wetsvoorstel is daarvan sprake wanneer spoor 1 – in overeenstemming tussen werkgever en werknemer of met toestemming van het UWV – na het eerste ziektejaar is afgesloten.
Daarnaast beoordeelt het UWV bij een ontslagaanvraag van een middelgrote werkgever of aannemelijk is dat binnen 13 weken geen arbeidsplaats beschikbaar komt waarin werknemer zijn eigen werkzaamheden dan wel aangepaste werkzaamheden kan verrichten. Ten aanzien van kleine werkgevers toetst het UWV dit niet.
Daartegenover staat een nieuw opzegverbod voor werknemers die in het tweede ziektejaar volledig herstellen.
WIA-aanvraag
Een ander technisch maar belangrijk gevolg betreft de toetsing bij een WIA-aanvraag.
Momenteel beoordeelt het UWV bij een WIA-aanvraag de re-integratie-inspanningen van werkgever en werknemer over de volledige wachttijd (104 weken). Als deze onvoldoende zijn geweest, kan een loonsanctie worden opgelegd.
Onder het beoogde systeem wordt die beoordeling anders wanneer spoor 1 rechtsgeldig is afgesloten. In dat geval beperkt het UWV de RIV-toets (toetsing van het re-integratieverslag) in beginsel tot de re-integratie-inspanningen in het tweede ziektejaar.
Hoewel deze verandering het re-integratietraject voor werkgevers beter voorspelbaar maakt, betekent dit voor werknemers dat de re-integratie-inspanningen in spoor 1 na afsluiting daarvan in beginsel geen onderdeel meer vormen van de beoordeling van het re-integratieverslag. Het accent verschuift daarmee naar de re-integratie-inspanningen die in het tweede ziektejaar binnen spoor 2 zijn verricht.
Conclusie over de beoogde versoepeling
Het wetsvoorstel markeert een duidelijke koerswijziging binnen het Nederlandse re-integratie stelsel. Waar terugkeer van een zieke werknemer binnen de eigen organisatie van werkgever nu gedurende twee jaar lang centraal staat, ontstaat met het wetsvoorstel voor het MKB de mogelijkheid om die focus al na één jaar ziekte los te laten. Dat vergroot de wendbaarheid van MKB-werkgevers en biedt hen meer duidelijkheid, maar roept tegelijkertijd vragen op over de toekomstige positie van langdurig zieke werknemers.
Of daarmee daadwerkelijk een betere balans wordt bereikt tussen flexibiliteit voor werkgevers en bescherming van de (zwakkere) positie van werknemers, zal ongetwijfeld onderwerp worden van verdere discussie.
Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Tweede Kamer. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2030. Het is nog maar de vraag of het wetsvoorstel ongewijzigd de eindstreep haalt.
Bekijk ook deze insights m.b.t. expertise
Bekijk het laatste nieuws en berichtgeving omtrent expertise.
